In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellante tegen het besluit van het UWV betreffende haar Wajong-uitkering. Na een tussenuitspraak van de Raad werd door het UWV een nader besluit genomen waarin aan appellante alsnog een Wajong-uitkering werd toegekend met ingang van 1 april 2010. De Raad stelde vast dat het UWV het eerdere besluit, waarin de uitkering was geschorst, ongedaan had gemaakt en de uitkering per genoemde datum had gecontinueerd.
Appellante had verzocht om een uitspraak over de overschrijding van de redelijke termijn en een schadevergoeding. De Raad oordeelde dat de totale duur van de procedure niet langer dan vier jaar was, zodat geen schadevergoeding werd toegekend. Wel werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het betaalde griffierecht.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover het niet voorzag in continuering van de uitkering per 1 april 2010 en verklaarde het beroep tegen het nadere besluit van 11 september 2014 ongegrond. Daarmee werd het gebrek in het oorspronkelijke besluit hersteld en het beroep deels gegrond verklaard.