ECLI:NL:CRVB:2015:2020

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juni 2015
Publicatiedatum
24 juni 2015
Zaaknummer
14-3502 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80 WAOArt. 12 ToeslagenwetArtikel 8 Beleidsregel boete werknemer 2010
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete onterecht opgelegd wegens niet-schending inlichtingenverplichting tijdens verzekeringsgeneeskundig spreekuur

Het UWV legde betrokkene een boete op wegens vermeende schending van haar inlichtingenverplichting tijdens een verzekeringsgeneeskundig spreekuur op 17 september 2009. Betrokkene zou de verzekeringsarts onjuist hebben geïnformeerd over haar medische situatie, wat het UWV aanleiding gaf de WAO-uitkering en toeslag met terugwerkende kracht in te trekken.

De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het boetebesluit, stellende dat het gedrag van betrokkene eerder een uiting van een stoornis was dan een bewuste overtreding. Het UWV ging hiertegen in hoger beroep.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de bewijslast voor de overtreding bij het UWV ligt en dat ook subjectief verwijt moet worden aangetoond. Het UWV slaagde hier niet in, mede omdat in een gelijktijdige zaak was vastgesteld dat betrokkene niet minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Daarom was het opleggen van de boete niet bevoegd.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank, wees het hoger beroep af en veroordeelde het UWV tot betaling van de proceskosten van betrokkene.

Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt afgewezen en de boete wordt vernietigd.

Uitspraak

14/3502 WAO
Datum uitspraak: 24 juni 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
28 mei 2014, 13/5146 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. D. Gürses, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. dr. J.H. Ermers. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door
mr. Gürses. Het geding is gevoegd behandeld met het geding geregistreerd onder nummer 13/2795 WAO, waarin heden afzonderlijk uitspraak is gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 23 mei 2013 heeft appellant aan betrokkene een boete opgelegd van
€ 2.269,- wegens schending van haar inlichtingenverplichting. Betrokkene wordt verweten dat zij tijdens het verzekeringsgeneeskundig spreekuur op 17 september 2009 de verzekeringsarts door haar handelen en presentatie onjuist heeft geïnformeerd over haar medische situatie en dit onjuiste beeld heeft laten voortduren.
1.2.
Bij besluit van 30 augustus 2013 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 23 mei 2013 gegrond verklaard en de boete vanwege de slechte financiële situatie van betrokkene, met toepassing van artikel 8 van Pro de Beleidsregel boete werknemer 2010, verlaagd naar € 480,-.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 23 mei 2013 herroepen en bepalingen gegeven over proceskosten en griffierecht. De rechtbank is ervan uitgegaan dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat betrokkene met ingang van 17 september 2009 als arbeidsgeschikt kan worden aangemerkt en dat het gedrag van betrokkene veeleer moet worden uitgelegd als een uiting van stoornis en gebrek. Daarom heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen grondslag is voor het opleggen van een boete.
3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat betrokkene haar inlichtingenverplichting van artikel 80 van Pro de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en artikel 12 van Pro de Toeslagenwet heeft overtreden en dat haar terecht een boete is opgelegd van € 480,-.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB: 2015:622) geoordeeld dat de bewijslast voor een gestelde overtreding van de inlichtingenverplichting bij appellant ligt en dat voorts van essentiële betekenis is dat de overtreder van het gestelde niet nakomen van de inlichtingenverplichting ook subjectief een verwijt te maken valt.
4.2.
Bij uitspraak van heden in de zaak 13/2795 WAO heeft de Raad geoordeeld dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene met ingang van 17 september 2009 minder dan 15% arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO. Daarmee staat in rechte vast dat appellant de WAO-uitkering en de toeslag van betrokkene ten onrechte met terugwerkende kracht vanaf 17 september 2009 heeft ingetrokken en teruggevorderd.
4.3.
Appellant heeft niet aangetoond dat betrokkene tijdens het spreekuur van 17 september 2009 haar actieve verplichting tot het verstrekken van informatie heeft geschonden, laat staan dat is aangetoond dat betrokkene van de gestelde overtreding ook subjectief een verwijt valt te maken. Appellant was daarom niet bevoegd betrokkene een boete op te leggen.
4.4.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Er bestaat aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van
€ 980,-;
- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 497,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.I. van der Kris en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2015.
(getekend) G.A.J. van den Hurk
(getekend) W. de Braal
ew