Betrokkene kreeg studiefinanciering toegekend op basis van de norm voor een uitwonende student. Appellant, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, herzag deze toekenning na een huisbezoek waarbij een controleur op basis van een verklaring van de tante van betrokkene concludeerde dat betrokkene niet op het opgegeven adres woonde.
De rechtbank vernietigde het besluit van appellant omdat het onderzoek slechts was gebaseerd op de verklaring van de tante, zonder eigen waarnemingen of buurtonderzoek, en betrokkene niet was gehoord. Tijdens de procedure trok de tante haar verklaring in en verklaarde de oom van betrokkene dat zij wel op het adres woonde.
In hoger beroep stelde appellant dat de verklaring van de tante betrouwbaar was en dat de intrekking weinig betekenis had. De Raad oordeelde echter dat appellant had moeten overwegen nader onderzoek te verrichten vanwege de bijzondere omstandigheden en de consistente betwisting door betrokkene.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank, herroept het besluit van 15 juni 2013 en veroordeelde appellant in de proceskosten van betrokkene. De uitspraak vervangt het eerdere besluit van 27 november 2013.