ECLI:NL:CRVB:2015:2057
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- O.L.H.W.I. Korte
- P.W. van Straalen
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag met terugwerkende kracht na verlening verblijfsvergunning
Appellante, een Surinaamse vreemdeling die sinds 2008 in Nederland verblijft, vroeg bijstand aan met ingang van 13 december 2011, de datum waarop zij een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kreeg. Het college kende bijstand toe vanaf 7 december 2012, de datum van haar aanvraag, maar weigerde terugwerkende kracht omdat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij in de periode daarvoor niet over eigen middelen beschikte.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij door familieleden financieel was ondersteund in de te beoordelen periode. Zij overlegde verklaringen van familieleden over leningen en giften, maar deze waren onvoldoende gedetailleerd en gaven geen duidelijk inzicht in de bedragen en het tijdstip van ontvangst.
De Raad oordeelde dat appellante als aanvrager de bewijslast draagt om gedetailleerd en nauwkeurig aan te tonen hoe zij in haar levensonderhoud heeft voorzien. De verklaringen voldeden niet aan deze eis, mede omdat de steun over een langere periode werd gesteld zonder specificatie voor de relevante periode. De verklaring van de schoonzoon was niet relevant voor de te beoordelen periode.
Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat appellante in de periode van 13 december 2011 tot 7 december 2012 kosten voor levensonderhoud heeft gemaakt die niet werden gedekt. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De bijstand wordt niet met terugwerkende kracht toegekend vanwege onvoldoende bewijs van bijstandbehoevendheid in de relevante periode.