Uitspraak
OVERWEGINGEN
.Ter zitting van de Raad heeft appellante op 18 april 2014 gedateerde verklaringen van haar ouders en zuster overgelegd en e-mails van [naam vriendin] van 30 maart 2015 en van [naam vader] van 31 maart 2015.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving studiefinanciering berekend op basis van de norm voor een uitwonende studerende over de periode mei 2012 tot en met 2013. De minister stelde bij besluit vast dat appellante niet woonde op het adres waar zij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) stond ingeschreven. De minister herzag daarom de studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende en vorderde het teveel betaalde bedrag terug.
De minister baseerde dit op huisbezoeken door sociaal rechercheurs, waarbij werd vastgesteld dat appellante feitelijk woonde bij haar ouders en niet op het GBA-adres. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze herziening ongegrond, omdat de bevindingen van de huisbezoeken en verklaringen voldoende feitelijke grondslag boden.
Appellante voerde aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat niet alle relevante personen waren gehoord. Zij overhandigde aanvullende verklaringen en e-mails ter zitting. De Raad oordeelde echter dat de verklaringen en bevindingen van de huisbezoeken voldoende waren en dat de aanvullende stukken geen ander licht wierpen op de situatie.
De Raad concludeerde dat appellante niet woonde op het GBA-adres en bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de studiefinanciering bevestigd.