ECLI:NL:CRVB:2015:2119
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M. Hillen
- J.F. Bandringa
- G.M.G. Hink
- Rechtspraak.nl
Herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijk hoofdverblijf niet aannemelijk
Appellante ontvangt sinds 1 april 2006 een AOW-pensioen voor een ongehuwde. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag dit pensioen per 1 maart 2013 naar een gehuwd pensioen op grond van het vermoeden dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met M. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze herziening ongegrond.
In hoger beroep stelt appellante dat de Svb onzorgvuldig heeft gehandeld en dat er geen sprake is van een gezamenlijk hoofdverblijf. Zij verblijft slechts een deel van de tijd bij M en vice versa, waarbij beiden ook afzonderlijk wonen en geen financiële verstrengeling of wederzijdse zorg bestaat. De Raad toetst dit aan de criteria van de Hoge Raad, die stelt dat bij meerdere woningen het zwaartepunt van het persoonlijke leven bepaalt waar het hoofdverblijf is.
De Raad oordeelt dat de Svb een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd en onvoldoende feitelijke grondslag heeft voor het standpunt dat sprake is van gezamenlijk hoofdverblijf. Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd, het beroep gegrond verklaard en appellante het recht op een ongehuwd AOW-pensioen toegekend. Tevens wordt de Svb veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en appellante krijgt recht op een ongehuwd AOW-pensioen vanaf 1 maart 2013.