ECLI:NL:CRVB:2015:2121
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.H. Bel
- W.F. Claessens
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens vermeende gezamenlijke huishouding zonder voldoende bewijs
Appellant ontving bijstand sinds 2004 en stond ingeschreven op verschillende adressen samen met zijn ouders. Het college vermoedde dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met zijn vriendin A, met wie hij twee kinderen heeft, en trok de bijstand in vanaf 2008 met terugvordering van kosten. De sociale recherche voerde onderzoeken uit, waaronder huisbezoeken, buurtonderzoeken en het opvragen van waterverbruik.
De rechtbank stelde de intrekking in met ingang van 1 januari 2009 vast, maar de Raad oordeelt dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding pas vanaf 5 juli 2009 geldt, en dat er onvoldoende feitelijke grondslag is voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding in de periode daarvoor. Het huisbezoek van 1 februari 2012 was onrechtmatig omdat er geen redelijke grond voor was, waardoor de bevindingen daarvan niet mogen worden gebruikt.
De verklaringen van buurtbewoners en het waterverbruik bieden onvoldoende bewijs voor een gezamenlijk hoofdverblijf. De Raad vernietigt de bestreden besluiten en de aangevallen uitspraken van de rechtbank, en draagt het college op nieuwe beslissingen te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens worden proceskosten aan appellant toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding en beveelt het college tot nieuwe besluitvorming.