ECLI:NL:CRVB:2015:2198
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als huishoudelijk medewerkster en viel uit wegens pijnklachten en vermoeidheid. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde daarom een WIA-uitkering toe te kennen. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar en door de rechtbank.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de functionele beperkingen onvoldoende waren vastgesteld en dat zij niet persoonlijk was onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De Raad oordeelde dat deze gronden een herhaling waren van eerdere bezwaren en dat de medische en arbeidskundige beoordeling zorgvuldig en juist was uitgevoerd.
De Raad wees erop dat het ontbreken van een persoonlijk onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet automatisch leidt tot onzorgvuldigheid, zeker niet wanneer deze arts beschikte over relevante medische gegevens en gemotiveerd heeft gehandeld. De brief van de behandelend chirurg uit 2015 was niet relevant voor de situatie op de datum in geding.
Gelet op de juiste vaststelling van de functionele mogelijkheden en de arbeidskundige onderbouwing kon appellante de werkzaamheden verrichten die aan de beoordeling ten grondslag lagen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.