ECLI:NL:CRVB:2015:2205
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor passende arbeid
Appellant was werkzaam als buschauffeur en viel uit wegens maag- en psychische klachten. Het UWV besloot dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor passende functies, waardoor geen recht op WIA-uitkering bestond. Na ziekmelding ontving appellant een Ziektewetuitkering die het UWV beëindigde op basis van een medisch oordeel dat appellant geschikt was voor arbeid.
Appellant maakte bezwaar tegen de beëindiging, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond, waarbij zij de medische beoordeling van de verzekeringsarts als zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd beoordeelde.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn klachten waren toegenomen en hij niet in staat was te werken, maar kon dit niet met medische gegevens onderbouwen. De Raad volgde het oordeel van de rechtbank en bevestigde de beëindiging van de Ziektewetuitkering, waarbij werd gewezen op de vaste jurisprudentie omtrent de definitie van “zijn arbeid” en het belang van de eerdere WIA-beoordeling.
De Raad oordeelde dat het standpunt van het UWV dat appellant geschikt is voor passende arbeid, gelet op de medische rapporten en eerdere vaststellingen, in stand blijft. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering omdat appellant geschikt is voor passende arbeid.