ECLI:NL:CRVB:2015:2264
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit inhouding vakantietoeslag bij bijstandsuitkering
Appellant ontving bijstand en kreeg vanaf november 2008 maandelijks een bedrag ingehouden wegens schuld aan het college, rekening houdend met de beslagvrije voet. Na verzoek om herberekening stelde het college de beslagvrije voet hoger vast, waardoor geen inhouding meer plaatsvond op de maandelijkse bijstand, maar wel op de vakantietoeslag. Het bezwaar van appellant tegen deze inhouding werd door het college ongegrond verklaard, waarna de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die oordeelde dat het primaire en bestreden besluit in strijd waren met het toepasselijke recht, mede naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad over de berekening van de vakantietoeslag bij de beslagvrije voet. De Raad stelde vast dat het college zich niet kon beroepen op rechtmatigheid van besluiten vóór het arrest om proceskosten te vermijden.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en het besluit van 9 augustus 2012 voor zover deze de inhouding van vakantietoeslag betroffen. Tevens veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van de proceskosten van appellant, inclusief griffierecht. Hiermee werd het belang van appellant in het hoger beroep bevestigd, ondanks dat zijn bijstandsrecht was beëindigd.
De uitspraak werd gedaan door rechter Korte op 10 juli 2015, waarbij het college werd verplicht de vakantietoeslag niet langer in te houden en de gemaakte kosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit over inhouding vakantietoeslag wordt vernietigd en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.