ECLI:NL:CRVB:2015:2309
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking onterecht van AOW-uitkering en AIO-aanvulling wegens vermeende voortvluchtigheid
Appellant, geboren in 1943, ontving sinds juni 2008 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Dit pensioen werd in 2009 ingetrokken vanwege detentie in België, maar na zijn invrijheidstelling opnieuw toegekend.
In oktober 2011 trok de Sociale Verzekeringsbank (Svb) het ouderdomspensioen en de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) per 1 juli 2011 in, op grond van vermeende voortvluchtigheid wegens een openstaande gevangenisstraf uit 2005. Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij niet voortvluchtig was, wat werd ondersteund door zijn melding bij autoriteiten en detentie in november-december 2011.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelde de Raad dat de Svb onvoldoende actuele gegevens had om te concluderen dat appellant zich onttrok aan de tenuitvoerlegging van de straf. De Svb baseerde zich voornamelijk op oude gegevens uit 2005 en 2006, terwijl appellant in de basisregistratie stond ingeschreven en bereikbaar was.
De Raad vernietigde het besluit van de Svb en de uitspraak van de rechtbank, herstelde het recht van appellant op AOW en AIO en veroordeelde de Svb tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het besluit tot intrekking van de AOW-uitkering en AIO-aanvulling en herstelt het recht van appellant op deze uitkeringen.