ECLI:NL:CRVB:2015:2331
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor WIA-functies
Appellant, laatst werkzaam als uitzendkracht, viel uit wegens hartklachten en ontving een WIA-uitkering. Het UWV stelde vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde zijn Ziektewetuitkering per 19 november 2012 op basis van een rapport van een verzekeringsarts.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij vanwege pijn- en darmklachten niet kon werken. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat de klachten geen aanleiding gaven tot verdere beperkingen. De Raad onderschreef dit oordeel in hoger beroep.
De Raad overwoog dat de verzekeringsarts terecht concludeerde dat appellant geschikt was voor ten minste één van de WIA-functies. Ook de aanvullende medische rapporten gaven geen reden tot twijfel. Klachten zoals incontinentie werden meegewogen en vormden geen belemmering voor werkhervatting.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd.