ECLI:NL:CRVB:2015:2340

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juli 2015
Publicatiedatum
15 juli 2015
Zaaknummer
13-4777 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WuvArt. 3 lid 2 Wuv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering gelijkstelling met vervolgde en periodieke uitkering op grond van de Wuv

Appellant, geboren in 1940 in Nederlands-Indië, verzocht in april 2012 om gelijkstelling met de vervolgde en een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Verweerder wees dit verzoek af omdat appellant geen vervolging had ondergaan en er geen ziekten of gebreken waren die redelijkerwijs verband hielden met het meemaken van het wegvoeren van zijn moeder.

In beroep stelde appellant dat meerdere gebeurtenissen, waaronder het meemaken van mishandeling van zijn moeder en het onder bewaking geven van borstvoeding, meegewogen moesten worden. De Raad oordeelde dat deze gebeurtenissen te ver afstaan van het begrip vervolging zoals bedoeld in de Wuv en dat het besluit van verweerder terecht was gebaseerd op het ontbreken van een verband tussen de ziekten van appellant en het meemaken van het wegvoeren van zijn moeder.

De Raad volgde het advies van de geneeskundig adviseur die PTSS-kenmerken constateerde, maar geen verband zag met het wegvoeren van de moeder. Ook verwees de Raad naar eerdere jurisprudentie die het standpunt van appellant over tweede generatieproblematiek niet onderschreef. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de weigering van gelijkstelling met de vervolgde en toekenning van een periodieke uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

13/4777 WUV
Datum uitspraak: 9 juli 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A. Bierenbroodspot, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 31 juli 2013, kenmerk BZ01596802 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2015. Namens appellant zijn verschenen mr. Bierenbroodspot als zijn gemachtigde en dr. G.M. Dikkenberg als
mede-gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, geboren in 1940 in het toenmalig Nederlands-Indië, heeft in april 2012 verzocht om in het kader van de Wuv met de vervolgde te worden gelijkgesteld en als zodanig voor, onder meer, een periodieke uitkering in aanmerking te komen.
1.2.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 29 maart 2013, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Vastgesteld is dat appellant geen vervolging heeft ondergaan. Verweerder heeft verder geconcludeerd dat bij appellant geen sprake is van ziekten of gebreken die redelijkerwijs verband houden met het meemaken van het wegvoeren van zijn moeder, zodat er geen aanleiding bestaat hem met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wuv met de vervolgde gelijk te stellen.
2. In beroep is gesteld dat verweerder ten onrechte alleen het door appellant meemaken van het wegvoeren van zijn moeder bij de beoordeling van de aanvraag heeft betrokken. Aangegeven is dat appellant meerdere gebeurtenissen heeft meegemaakt.
2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
2.1.
Niet wordt betwist dat appellant geen vervolging in de zin van artikel 2 van Pro de Wuv heeft ondergaan. Het geschil spitst daarom toe op de vraag of verweerder ten onrechte heeft geweigerd appellant met toepassing van de artikel 3, tweede lid, van de Wuv gelijk te stellen met de vervolgde.
2.2.
Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wuv kan een persoon onder bepaalde omstandigheden met de vervolgde worden gelijkgesteld, indien het niet toepassen van de Wuv een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.
2.3.
Appellant heeft gesteld dat hij geconfronteerd is geweest met zijn mishandelde moeder, dat hij regelmatig zijn moeder heeft moeten bezoeken omdat hij borstvoeding kreeg - hetgeen onder bewaking in de gevangenis plaatsvond - en dat zijn moeder tot het einde van de bezetting afwezig is geweest. Appellant stelt zich op het standpunt dat ook deze gebeurtenissen in het kader van de aanvraag moeten worden meegewogen. Dit standpunt wordt niet onderschreven. Genoemde gebeurtenissen staan te ver af van het begrip vervolging zoals dat gedefinieerd is in artikel 2 van Pro de Wuv en zijn door verweerder terecht niet betrokken bij de beoordeling van het verzoek om met de vervolgde te worden gelijkgesteld.
2.4.1.
Het meemaken van het wegvoeren van een ouder kan aanleiding vormen tot gelijkstelling met de vervolgde, indien bij de aanvrager sprake is van ziekten of gebreken die redelijkerwijs aan het wegvoeren van de ouder moeten worden toegeschreven.
2.4.2.
Het standpunt van verweerder dat in het geval van appellant hiervan geen sprake is, is in overeenstemming met het advies van de geneeskundig adviseur A.J. Maas. Deze arts baseert zijn oordeel op een persoonlijk onderhoud met appellant, waarbij hij heeft betrokken de informatie van de huisarts en een rapportage van de arts A.A. Coster die appellant heeft onderzocht in het kader van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Maas concludeert dat er in diagnostische zin gesproken kan worden van PTSS-kenmerken. Er is sprake van nachtelijke herbelevingen, vermijdingsgedrag en symptomen van prikkelbaarheid. Er is redelijkerwijs geen verband met het meemaken en wegvoeren van de moeder van appellant. Daarnaast kan de eerder al vastgestelde persoonlijkheidsproblematiek evenmin in verband gebracht worden met het wegvoeren van de moeder. De oorzaak daarvan ligt in langer durende omstandigheden tijdens de gehele Japanse bezetting alsmede omstandigheden na de hereniging met moeder na de oorlog, aldus Maas.
2.4.3.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van dit advies deugdelijk voorbereid en toereikend gemotiveerd. In de beschikbare medische gegevens zijn geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder, in het voetspoor van zijn geneeskundig adviseur, heeft ingenomen. Van de zijde van appellant zijn geen medische gegevens ingebracht die tot een ander oordeel moeten leiden.
2.5.
Namens appellant is nog uitvoerig betoogd dat ook na de wetswijziging van 15 juli 1994 de mogelijkheid is blijven bestaan om personen die geboren zijn voor het einde van de Tweede Wereldoorlog op grond van zo genoemde tweede generatieproblematiek met de vervolgde gelijk te stellen. De Raad kan dit niet onderschrijven en volstaat met verwijzing naar zijn uitspraak van 18 maart 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP4450. Hetgeen namens appellant is aangevoerd geeft geen aanleiding nu tot een ander oordeel te komen.
2.6.
Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en het beroep ongegrond moet worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en
G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2015.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD