ECLI:NL:CRVB:2015:2404
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.F. Claessens
- J.F. Bandringa
- G.M.G. Hink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding
Appellante heeft bijstand aangevraagd als alleenstaande en opgegeven in een aparte kamer bij V te wonen zonder huurcontract. De gemeente Amsterdam weigerde de bijstand omdat zij een gezamenlijke huishouding met V zou voeren, wat appellante betwistte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit in hoger beroep.
De Raad beoordeelde de periode van de aanvraag tot het besluit en stelde vast dat appellante en V hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Verder was er sprake van wederzijdse zorg, zoals gezamenlijke boodschappen, wassen van kleding, schoonmaken en zorg bij ziekte, wat de grenzen van een zakelijke relatie overschrijdt.
Appellante voerde aan dat haar verklaring was opgedrongen en dat de Sociale Verzekeringsbank (Svb) later oordeelde dat geen gezamenlijke huishouding bestond. De Raad verwierp deze argumenten omdat de verklaring rechtsgeldig was afgelegd zonder druk en de Svb-beslissing op een latere periode en andere feiten was gebaseerd.
De Raad concludeerde dat de afwijzing terecht was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.