ECLI:NL:CRVB:2015:243
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag continuering huishoudelijke verzorging op grond van de Wmo
Appellant had een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend gekregen voor huishoudelijke verzorging op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), omdat zijn echtgenote niet in staat werd geacht zware huishoudelijke taken te verrichten. Bij een aanvraag tot continuering van deze voorziening gaf appellant aan dat zijn echtgenote geen beperkingen had. Het college wees de aanvraag af, beëindigde en trok de eerder toegekende huishoudelijke verzorging in en vorderde het betaalde bedrag terug.
De adviserend geneeskundige van de GGD onderzocht de echtgenote en concludeerde dat haar beperkingen voor het verrichten van huishoudelijke taken niet objectief waren vast te stellen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat overtuigend was komen vast te staan dat de echtgenote de huishoudelijke verzorging zelf had uitgevoerd en dat de stelling dat derden de zware taken verrichtten niet aannemelijk was.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat familie de zware huishoudelijke taken verrichtte en dat zijn echtgenote wel degelijk beperkingen had. De Raad volgde dit niet, oordeelde dat het medisch advies van de GGD niet was weerlegd en dat het college terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot intrekking en terugvordering van het pgb. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag tot continuering van de huishoudelijke verzorging wordt afgewezen en de eerdere voorziening wordt beëindigd en ingetrokken.