Appellante ontving over de jaren 2006 tot en met 2010 een persoonsgebonden budget (pgb) van het Zorgkantoor voor zorginkoop. Na controle stelde het Zorgkantoor vast dat appellante minder aan zorg had besteed dan het toegekende budget, mede vanwege onrechtmatige betalingen aan een zorgverlener die niet rechtmatig in Nederland verbleef. Het Zorgkantoor wijzigde de pgb-besluiten en vorderde een bedrag van €34.481,31 terug, later door de rechtbank verminderd tot €20.688,79.
Appellante voerde aan dat zij als minderjarige niet verantwoordelijk was voor het beheer van het pgb en dat de schuld haar onredelijk belast. De rechtbank oordeelde dat het Zorgkantoor een belangenafweging had gemaakt en de terugvordering redelijk was. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar kon zij haar stellingen niet onderbouwen met bewijs.
De Raad oordeelde dat het Zorgkantoor bevoegd was de eerdere vaststellingen te herzien en het pgb lager vast te stellen. Problemen door de handelwijze van de wettelijk vertegenwoordiger komen voor rekening van appellante. De terugvordering is gerechtvaardigd en leidt niet tot onaanvaardbare gevolgen. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.