Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[gedaagde 1],
1.Het verloop van de procedure
2.De vaststaande feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
5.De beslissing
:
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een vordering van VGZ Zorgkantoor B.V. tot terugbetaling van een te veel uitgekeerd persoonsgebonden budget (pgb) aan de ouders van een minderjarige budgethouder. VGZ had een bedrag van €7.895,18 teruggevorderd wegens onvoldoende verantwoording van het pgb over de jaren 2012 tot en met 2014. De ouders, die destijds in gemeenschap van goederen waren getrouwd, werden hoofdelijk aangesproken tot betaling.
De rechtbank stelt vast dat het pgb aan de minderjarige is toegekend en dat de terugvordering formele rechtskracht bezit omdat tegen de beschikkingen geen bezwaar is ingesteld. Volgens vaste jurisprudentie moet het te veel betaalde pgb in beginsel door de minderjarige zelf worden terugbetaald, ook als de ouders het beheer en de verantwoording voeren.
VGZ heeft niet gesteld dat de ouders een betalingsregeling zijn aangegaan of dat de vordering van de minderjarige op de ouders is overgedragen. Ook is niet gebleken dat de ouders zich als bewindvoerders niet als goed beheerder hebben gedragen. Daarom kan VGZ de ouders niet rechtstreeks aanspreken voor de terugbetaling.
De rechtbank wijst de vordering af en veroordeelt VGZ in de proceskosten. Wel wordt opgemerkt dat VGZ een vordering heeft op het vermogen van de minderjarige en dat de ouders als wettelijk vertegenwoordigers verantwoordelijk zijn voor het beheer daarvan. Het wordt aanbevolen dat zij afspraken maken met VGZ over aflossing van de schuld.
Uitkomst: De vordering tot terugbetaling van het pgb aan VGZ door de ouders wordt afgewezen.