ECLI:NL:CRVB:2015:2537
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij AWBZ-indicatie
Appellante had bezwaar gemaakt tegen besluiten van het CIZ betreffende haar indicatie voor persoonlijke verzorging op grond van de AWBZ. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat de indicatieperiode van het bestreden besluit was verstreken en appellante geen kosten had gemaakt voor zorg in die periode.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij wel procesbelang had, omdat zij gedurende de indicatieperiode zorg had ontvangen en dat belangrijke medische informatie niet was betrokken bij de indicatiestelling. De Raad stelde vast dat de indicatieperiode ten tijde van de uitspraak voorbij was en dat appellante geen kosten had gemaakt voor zorg in die periode.
Verder was er sprake van een wezenlijk gewijzigde gezondheidssituatie door een operatie in juli 2014, waardoor eerdere medische beoordelingen niet zonder meer relevant waren voor nieuwe aanvragen. Appellante had geen medische stukken overgelegd die het tegendeel aannemelijk maakten.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde de niet-ontvankelijkheid van het beroep wegens het ontbreken van procesbelang. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang; de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.