Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 januari 2022 in de zaak tussen
[naam eiseres] , te [plaats] , eiseres,
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
8 december 2019 op grond van de Wmo 2015 een ondersteuningsarrangement toegekend bestaande uit: ondersteuning bij sociaal en persoonlijk functioneren (trede midden/intensief), financiën (beperkt) en zelfzorg en gezondheid (trede midden). Deze voorziening werd verstrekt in de vorm van een pgb ter hoogte van € 1.336,- per vier weken. Het pgb is deels toegekend op basis van het tarief voor informele zorgverlening en deels op basis van het tarief voor formele zorgverlening.
[naam zorgverlener 2] ( [naam zorgverlener 2] ), ten onrechte niet als formele zorgverleners aanmerkt en het pgb-tarief daarom te laag is. Deze zorgverleners behoren niet tot haar sociale netwerk, maar zijn professionele zorgverleners en werden door verweerder bij de vorige indicatie ook als zodanig aangemerkt. Volgens eiseres is het verweerder niet toegestaan om bij het vaststellen van de kwaliteitseisen voor ZZP-ers in de zorg aan te sluiten bij de eisen die aan door de gemeente gecontracteerde aanbieders worden gesteld.
€ 668,- (per 30 december 2019: € 692,-) per vier weken. De rechtbank ziet gelet op de overwegingen onder 9 en 10 geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten en acht in dit geval ook een bestuurlijke lus niet opportuun. Verweerder dient binnen zes weken nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.