ECLI:NL:CRVB:2015:2546
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- M. Hillen
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en hoofdverblijf
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het college stelde na onderzoek door de sociale recherche vast dat zij samen met appellant een gezamenlijke huishouding voerde op het uitkeringsadres. Ondanks dat zij op verschillende adressen in de GBA stonden ingeschreven, bleek uit verklaringen, getuigenverklaringen en verbruiksgegevens dat appellant zijn hoofdverblijf grotendeels bij appellante had.
Het college trok de bijstand met ingang van 1 maart 2012 in en vorderde de ten onrechte betaalde bijstand terug, mede van appellant. Appellanten stelden dat niet voldaan was aan de criteria voor gezamenlijke huishouding en dat de verklaringen onjuist of onder druk waren afgelegd, maar de Raad verwierp deze stellingen wegens gebrek aan objectieve onderbouwing.
De Raad oordeelde dat appellante niet tijdig openheid van zaken heeft gegeven over haar relatie met appellant, waardoor sprake was van schending van de inlichtingenverplichting. Het college maakte terecht gebruik van zijn bevoegdheid tot intrekking en terugvordering van bijstand. De hoger beroepen werden ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenverplichting.