ECLI:NL:CRVB:2015:2566
Centrale Raad van Beroep
- Tussenuitspraak bestuurlijke lus
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over juiste toepassing beleid bij beëindiging WIA-uitkering voor Rijnvarende
Appellant, een stuurman binnenvaart, viel in 1999 uit wegens psychische en knieklachten en kreeg een WAO-uitkering toegekend. Na werkhervatting in 2003 beëindigde het UWV de uitkering op grond van artikel 44 WAO Pro, waarbij het een termijn van zes maanden hanteerde om te beoordelen of de hervatte arbeid passend was.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het besluit van het UWV ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat appellant driemaal ongeschikt was bevonden voor zijn eigen werk, waarvan de laatste keer kort voor werkhervatting, en dat het UWV ten onrechte de kortst mogelijke termijn van zes maanden hanteerde.
De Raad oordeelde dat het UWV in dit bijzondere geval van het beleid had moeten afwijken en een ander moment had moeten bepalen waarop de arbeid als passend kon worden aangemerkt. Het UWV werd opgedragen het besluit te herstellen en te heroverwegen wanneer de arbeid als passende arbeid kan worden beschouwd, met inachtneming van artikel 44 en Pro 43a van de WAO.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herstellen en een ander moment te bepalen waarop de arbeid als passende arbeid kan worden aangemerkt.