Uitspraak
OVERWEGINGEN
1 januari 2002, onder meer in dat, indien degene die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid geniet, zo lang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de WAO kan worden aangemerkt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet wordt ingetrokken of herzien, doch die uitkering niet wordt uitbetaald indien de inkomsten uit arbeid zodanig zijn, dat als die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van arbeidsongeschiktheid van ten minste 15%. Deze regeling gold ten hoogste voor een aaneengesloten termijn van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit arbeid werden genoten. Het Uwv hanteerde destijds als interne gedragslijn dat, bij werkhervatting, gedurende de eerste zes maanden de inkomsten op de uitkering in mindering werden gebracht maar dat nog niet werd overgegaan tot de beoordeling of de arbeid waarin hervat was aan te merken was als geschikte arbeid. Na afloop van de periode van zes maanden werd beoordeeld of de anticumulatie werd voortgezet of dat herziening van het recht op uitkering aangewezen was.
1 augustus 2008 als passende arbeid in de zin van artikel 18 vijfde Pro lid, van de WAO heeft aangemerkt en tevens of het Uwv bij deze beoordeling terecht de maatman van appellante heeft gewijzigd in die van [functie].
WAO-uitkering is toegekend, namelijk psychische klachten door life-events, het recht op een WAO-uitkering dient te herleven.
19 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG8576) dient buiten twijfel te staan dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere oorzaak, wil het bepaalde in artikel 43a van de WAO niet van toepassing zijn. De bewijslast rust op degene die het standpunt huldigt dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de eerdere en de latere uitval.
17 december 2008 tot en met 1 november 2012 is rekening gehouden met een verminderde cognitieve belastbaarheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft betrokkene gezien bij de hoorzitting en op basis van dossieronderzoek de conclusies van de verzekeringsarts onderschreven. Anders dan appellante stelt, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat met de op de datum in geding, 5 april 2011, bestaande beperkingen van betrokkene in de FML voldoende rekening is gehouden. De overwegingen van de rechtbank terzake van de vastgestelde beperkingen worden dan ook onderschreven. Uit de in hoger beroep ingebrachte stukken betreffende de gezondheidstoestand van appellante kan niet worden afgeleid dat deze gevolgen hebben voor de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid op de datum in geding, 5 april 2011, omdat deze stukken niet zien op deze datum.