ECLI:NL:CRVB:2015:2604
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing hoger beroep tegen vaststelling afkoopsom op grond van de Liquidatiewet Ongevallenwetten
Appellant heeft een bedrijfsongeval gehad met ernstige gevolgen voor zijn rechterheup, waarvoor hij een invaliditeitsrente ontving op grond van de Ongevallenwet (OW). Na intrekking van de OW is deze rente omgezet in een WAO-uitkering, die eindigt bij het bereiken van 65 jaar. Bij besluit kende het UWV appellant een afkoopsom toe op basis van artikel 18 van Pro de Liquidatiewet Ongevallenwetten (LOW), berekend als de contante waarde van de OW-uitkering waarop hij recht zou hebben gehad indien de OW niet was ingetrokken.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de hoogte van de afkoopsom te laag was vastgesteld omdat zijn invaliditeitspercentage hoger zou moeten zijn, en beriep zich op het vertrouwensbeginsel vanwege toezeggingen over een opgespaarde uitkering. De Raad oordeelde dat de afkoopsom uitsluitend op basis van de OW-maatstaven moet worden vastgesteld, niet op basis van de WAO, en dat het invaliditeitspercentage van 60% voldoende gemotiveerd was door een verzekeringsarts.
De Raad verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat appellant geen concrete, op zijn situatie toegespitste toezeggingen kon aantonen. Tevens verduidelijkte de Raad dat er geen sprake is van een opgespaarde OW-uitkering naast de WAO-uitkering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afkoopsom van € 5.852,- wordt bevestigd.