ECLI:NL:CRVB:2015:2618
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- W.F. Claessens
- A.M. Overbeeke
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens onduidelijke woon- en leefsituatie bevestigd
Appellant ontving bijstand sinds oktober 2012 en gebruikte een postadres van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) omdat hij zich niet kon inschrijven op zijn verblijfadres. Het college verleende toestemming voor het gebruik van dit postadres onder voorwaarden.
In 2013 ontstond onduidelijkheid over de feitelijke verblijfplaats van appellant, mede doordat hij werd opgeroepen voor gesprekken om zijn situatie te verduidelijken maar niet verscheen. Het college schortte de bijstand op en trok deze later in wegens schending van de inlichtingen- en medewerkingsplicht.
De rechtbank vernietigde het intrekkingsbesluit wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellant ging in hoger beroep tegen dit laatste, stellende dat het college onrechtmatig had gehandeld en dat hij niet correct was geïnformeerd.
De Centrale Raad oordeelde dat appellant onvoldoende gegevens verstrekte over zijn verblijfplaats en niet aan zijn medewerkingsplicht voldeed. Het college was bevoegd de bijstand in te trekken. Het beroep op onrechtmatigheid en disproportionaliteit faalde. Ook het betoog over het niet ophalen van post werd verworpen, omdat appellant op de hoogte was en het risico zelf droeg.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd wegens schending van de inlichtingenplicht en het niet verschijnen bij gesprekken.