ECLI:NL:CRVB:2015:2624
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tijdigheid bezwaarschrift bij afwijzing bijstandsaanvraag en terugvordering
Appellant diende op 29 augustus 2013 een aanvraag bijstand in. Het college kende hem voorschotten toe, maar trok later de bijstand van een medebewoner in en vorderde kosten terug. Vervolgens werd de aanvraag afgewezen wegens onvoldoende verstrekte inlichtingen, met terugvordering van voorschotten. Appellant diende bezwaren in tegen deze besluiten, maar het college verklaarde deze niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het bezwaarschrift tijdig was ingediend en dat de besluiten van 4 december 2013 wijzigingsbesluiten waren, wat niet werd gevolgd. Ook stelde appellant dat de postbezorging op 15 januari 2014 plaatsvond, ondanks een poststempel van 17 januari 2014, en beriep zich op artikel 6 EVRM Pro en een arrest van het Europees Hof.
De Raad oordeelde dat de poststempel als bewijsrechtelijk uitgangspunt geldt en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het bezwaarschrift eerder was verzonden. De situatie verschilde wezenlijk van de aangehaalde EVRM-zaak, en het beroep op noodzakelijke rechtsbijstand faalde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift bevestigd.