ECLI:NL:CRVB:2016:1541
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
M ontving bijstand als alleenstaande ouder vanaf 1 maart 2012. Uit de relatie tussen appellant en M werd op 12 juni 2012 een dochter geboren. M stond ingeschreven op een adres te Rotterdam, waar ook de vader van M woonde. Appellant vroeg bijstand aan en gaf een ander adres op, waar hij stond ingeschreven. Na onderzoek bleek dat appellant huurachterstanden had betaald op het adres van M, wat aanleiding gaf tot een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand aan M.
Het college trok de bijstand aan M met ingang van 18 februari 2013 in en vorderde de kosten terug wegens het verzwegen voeren van een gezamenlijke huishouding met appellant. Ook werd de bijstand mede van appellant teruggevorderd. Appellant stelde bezwaar en beroep in, maar deze werden ongegrond verklaard. In hoger beroep betwistte appellant dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en stelde dat hij rechtstreeks belang had bij het besluit tot intrekking en terugvordering van M.
De Raad oordeelde dat appellant geen eigen, rechtstreeks belang heeft bij het besluit tot intrekking en terugvordering van M, omdat daarin uitsluitend het recht op bijstand van M is beoordeeld. Appellant is wel belanghebbende bij het besluit tot medeterugvordering en kan daartegen bezwaar en beroep instellen. Uit verklaringen van M, buurtbewoners en het dossier bleek dat M haar hoofdverblijf had op het adres van appellant, waarmee sprake was van een gezamenlijke huishouding. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding bevestigd.