Appellant, geboren in 1940 in Nederlands-Indië, verzocht om een uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Verweerder wees de aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld dat appellant direct betrokken was bij oorlogsgeweld zoals bombardementen of levensbedreigende situaties tijdens de Bersiapperiode.
De Raad overwoog dat een eigen verklaring van appellant onvoldoende is zonder objectieve gegevens die de persoonlijke situatie bevestigen. Het bewijs toonde aan dat appellant niet persoonlijk direct betrokken was bij de bombardementen op Bandoeng en dat hij met familie kon schuilen, waardoor de situatie niet onder de Wubo valt.
Verder werd niet aannemelijk gemaakt dat de vlucht van Tjibangkongstraat naar Javastraat levensbedreigend was. Ook de door appellant genoemde rampokpartij voldeed niet aan de voorwaarden van directe betrokkenheid en levensbedreigende omstandigheden.
Hoewel appellant als oorlogsslachtoffer is erkend onder de Algemene Oorlogsongevallenregeling, gelden voor de Wubo strengere criteria. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.