ECLI:NL:CRVB:2015:2656

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 augustus 2015
Publicatiedatum
6 augustus 2015
Zaaknummer
14-1037 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wubo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen weigering Wubo-uitkering wegens ontbreken directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld

Appellant, geboren in 1940 in Nederlands-Indië, verzocht om een uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Verweerder wees de aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld dat appellant direct betrokken was bij oorlogsgeweld zoals bombardementen of levensbedreigende situaties tijdens de Bersiapperiode.

De Raad overwoog dat een eigen verklaring van appellant onvoldoende is zonder objectieve gegevens die de persoonlijke situatie bevestigen. Het bewijs toonde aan dat appellant niet persoonlijk direct betrokken was bij de bombardementen op Bandoeng en dat hij met familie kon schuilen, waardoor de situatie niet onder de Wubo valt.

Verder werd niet aannemelijk gemaakt dat de vlucht van Tjibangkongstraat naar Javastraat levensbedreigend was. Ook de door appellant genoemde rampokpartij voldeed niet aan de voorwaarden van directe betrokkenheid en levensbedreigende omstandigheden.

Hoewel appellant als oorlogsslachtoffer is erkend onder de Algemene Oorlogsongevallenregeling, gelden voor de Wubo strengere criteria. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de Wubo-uitkering wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld.

Uitspraak

14/1037 WUBO
Datum uitspraak: 6 augustus 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 januari 2014, kenmerk BZ01709310 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2015. Namens appellant is verschenen mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is in 1940 geboren in het toenmalig Nederlands-Indië. Hij heeft in februari 2013 een (samenloop)aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 dan wel de Wubo, naar gelang voor hem het gunstigst is.
1.2.
Bij besluit van 10 juni 2013, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder deze aanvraag in het kader van de Wubo afgewezen. Daartoe heeft verweerder overwogen dat de directe betrokkenheid van appellant bij bombardementen op Bandoeng tijdens de Japanse bezetting niet is komen vast te staan, dat evenmin is komen vast te staan dat de vlucht van de Tjibangkongstraat naar de Javastraat tijdens de Bersiapperiode vanuit een levensbedreigende situatie dan wel onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden, terwijl de overige door appellant genoemde gebeurtenissen niet onder de werking van de Wubo kunnen worden gebracht. Wat betreft de in bezwaar naar voren gebrachte stelling dat appellant een rampokpartij heeft meegemaakt, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de rampok tegen appellant persoonlijk was gericht dan wel dat deze gepaard ging met excessief geweld. Verweerder heeft zijn oordeel mede gebaseerd op gegevens van het Nederlandse Rode Kruis (NRK), de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP), een verklaring van de zuster van appellant en gegevens van appellants tante. Ook deze gegevens hebben een directe betrokkenheid van appellant bij bombardementen dan wel beschietingen niet kunnen bevestigen, aldus verweerder.
2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
2.1.
Uit artikel 2 van Pro de Wubo volgt dat als eerste voorwaarde geldt dat de aanvrager (direct) betrokken is geweest bij oorlogsgeweld. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2808
)kan een door een betrokkene gemelde gebeurtenis niet uitsluitend op grond van zijn of haar eigen verklaring als voldoende vaststaand worden aangemerkt. Een dergelijke verklaring moet worden ondersteund door aanvullende (objectieve) gegevens. Deze moeten bovendien betrekking hebben op de situatie van de betrokkene zelf en niet slechts op de algemene situatie ter plekke, waarin de gestelde gebeurtenissen zouden kunnen passen.
2.2.
Ten aanzien van het meemaken van bombardementen op Bandoeng is de Raad met verweerder van oordeel dat niet is gebleken dat appellant daarbij (persoonlijk) direct betrokken is geweest, zoals vereist op grond van artikel 2 van Pro de Wubo. Appellant heeft geen melding gemaakt van gewonden of schade in zijn directe omgeving. Daarbij komt nog dat hij met zijn familieleden heeft kunnen schuilen in de schuilkelder van de buren. Dat op grond van historische gegevens bekend is dat de door appellant gestelde bombardementen hebben plaatsgevonden, is - zoals volgt uit het onder 2.1 overwogene - onvoldoende om deze gebeurtenis onder de Wubo te kunnen brengen.
2.3.
Wat betreft de vlucht van de Tjibangkongstraat naar de Javastraat zijn in beroep geen nieuwe gegevens naar voren gebracht of gekomen. Ook naar het oordeel van de Raad is niet aannemelijk gemaakt dat deze vlucht vanuit een levensbedreigende situatie dan wel onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden.
2.4.
Appellant heeft in beroep staande gehouden dat de door hem beschreven rampokpartij wel degelijk onder de werking van de Wubo dient te vallen. Appellant heeft zich in dit verband beroepen op het - uit het jaarverslag over 2003 blijkende - beleid van verweerder ten aanzien van rampokken en huiszoekingen in het voormalig Nederlands-Indië. Dit beleid stelt twee voorwaarden: (1) directe betrokkenheid en (2) levensbedreigende omstandigheden, hetgeen betekent dat de betrokkene persoonlijk geconfronteerd moet zijn geweest met het excessieve geweld en de bedreigingen van de plunderaars in zijn eigen huis. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de Raad terecht op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan deze voorwaarden. Het door appellant gedane beroep op genoemd beleid treft geen doel.
2.5.
Namens appellant is nog gewezen op een besluit van de Commissie Algemene Oorlogsongevallen Regeling van 9 mei 2014, waarbij appellant met ingang van 1 februari 2013 is aangemerkt als oorlogsslachtoffer in de zin van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Dit gegeven leidt echter niet tot een ander oordeel. Daarbij is van belang dat voor de toepassing van de AOR andere - in dit geval ruimere - maatstaven gelden dan voor de toepassing van de Wubo (uitspraak van 5 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1673).
2.6.
Al met al moet worden vastgesteld dat, ondanks door verweerder ingesteld, zorgvuldig te noemen onderzoek waarbij navraag is gedaan bij het NRK en de SAIP en relatiedossiers zijn geraadpleegd, geen bevestiging is gevonden dat appellant is getroffen door gebeurtenissen die vallen onder artikel 2 van Pro de Wubo.
2.7.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit stand kan houden en het beroep ongegrond moet worden verklaard.
3. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en C.H. Bangma en
R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2015.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) B. Rikhof

HD