ECLI:NL:CRVB:2015:2667
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking persoonsgebonden budget wegens ontbreken deugdelijke administratie
Appellante kreeg een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor de periode van 21 maart 2008 tot en met 31 december 2008. Het Zorgkantoor voerde een intensieve controle uit en verzocht om stukken ter verantwoording van de verleende zorg. Omdat appellante niet de juiste gegevens aanleverde, werd het pgb per 21 maart 2008 ingetrokken. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel.
Appellante voerde aan dat zij wel zorg ontving en betaalde aan haar dochter als zorgverlener, dat alle stukken uiteindelijk waren verstrekt en dat het Zorgkantoor haar niet had gehoord voorafgaand aan het besluit. Ook stelde zij dat het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur waren geschonden. De Raad oordeelde dat appellante wel degelijk in de bezwaarfase is gehoord en dat de stukken inconsistent en onvoldoende waren om een deugdelijke administratie te vormen.
De Raad concludeert dat appellante de administratieve verplichtingen uit artikel 2.6.9 van de Regeling subsidies AWBZ niet is nagekomen, waardoor het Zorgkantoor bevoegd was het pgb in te trekken. Er was geen sprake van willekeur of schending van het gelijkheidsbeginsel. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van het pgb bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van het persoonsgebonden budget wegens het niet naleven van administratieve verplichtingen wordt bevestigd.