Uitspraak
23 mei 2013, 12/4268 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds 2004 bijstand en staat ingeschreven op het adres van zijn moeder, terwijl zijn ex-partner met wie hij drie kinderen heeft, op een ander adres woont. Het dagelijks bestuur startte een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand na signalen over de woonsituatie van appellant. Dit onderzoek bestond uit dossieronderzoek, observaties, getuigenverhoren en een opsporingsonderzoek.
Op basis van dit onderzoek trok het dagelijks bestuur in 2012 de bijstand in en vorderde het de kosten terug, stellende dat appellant een gezamenlijke huishouding voert op het adres van zijn ex-partner. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij de juiste informatie had verstrekt over zijn woonsituatie en dat hij meerdere keren per week zijn kinderen bezocht, maar ingeschreven bleef op het uitkeringsadres.
De Raad oordeelt dat het college onvoldoende bewijs heeft geleverd dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. De verklaringen van appellant, getuigen en casemanagers tonen aan dat appellant regelmatig aanwezig was op het adres van zijn ex-partner, maar dit betekent niet dat hij daar zijn hoofdverblijf had. Het besluit is onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en de eerdere besluiten tot intrekking en terugvordering.
De Raad veroordeelt het dagelijks bestuur tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellant. Hiermee wordt het beroep gegrond verklaard en het besluit van het dagelijks bestuur herroepen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd wegens onzorgvuldige motivering.