Uitspraak
OVERWEGINGEN
G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2015.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als regiohoofd maatschappelijke opvang en meldde zich ziek met vermoeidheids- en gewrichtsklachten. Het UWV stelde vast dat zij vanaf 30 augustus 2012 geschikt was voor haar werk en daarom niet arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond vanwege voldoende medische onderbouwing en de vastgestelde beperkingen die niet tot arbeidsongeschiktheid leidden.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de beperkingen door de verzekeringsartsen onvoldoende waren erkend, met name ten aanzien van het gebruik van handen en armen en mogelijke cognitieve stoornissen. Ook stelde zij dat PTSS al bestond op de datum in geding. De Raad oordeelde dat de medische rapporten en onderzoeken geen aanwijzingen voor cognitieve stoornissen of PTSS op die datum gaven en dat de beperkingen voor hand- en vingergebruik adequaat waren vastgesteld.
De arbeidsdeskundige stelde dat appellante geschikt was voor haar maatgevende functie van regiohoofd maatschappelijke opvang. De Raad concludeerde dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante geschikt wordt geacht voor haar maatgevende functie.