ECLI:NL:CRVB:2015:2792
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verplichting nachtopvang en proceskosten in WWB-zaak dakloze betrokkene
Betrokkene, dakloos en bijstandsgerechtigd op grond van de WWB, kreeg van het college de verplichting opgelegd om gebruik te maken van de nachtopvang, als onderdeel van arbeidsinschakeling. De rechtbank vernietigde deze verplichting en de daarop gebaseerde bijstandsverlagingen omdat het college onvoldoende had onderbouwd dat deze maatregel gericht was op arbeidsinschakeling en minder ingrijpende alternatieven mogelijk waren.
Het college stelde in hoger beroep dat de nachtopvang verplichting onderdeel was van een individueel re-integratieplan en noodzakelijk was voor het opbouwen van een dag- en nachtritme. De Raad oordeelde dat het college dit niet had onderbouwd met een op de persoon toegesneden plan en dat de enkele omstandigheid van dakloosheid onvoldoende is om de verplichting te rechtvaardigen.
Daarnaast werd het incidenteel hoger beroep van het college over het procesbelang van betrokkene afgewezen, waarbij werd vastgesteld dat gemaakte afspraken over no-cure-no-pay geen beletsel vormen voor procesbelang. Betrokkene slaagde in zijn hoger beroep tegen de toegepaste lage wegingsfactor voor proceskosten, waarna de Raad de zaak als gemiddeld aanmerkte.
De Raad bevestigde de vernietiging van de nadere verplichting en de daarop gebaseerde maatregelen en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten aan betrokkene, waarbij een wegingsfactor van 1 werd toegepast.
Uitkomst: De verplichting tot gebruik van de nachtopvang wordt vernietigd en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten met een wegingsfactor 1.