ECLI:NL:CRVB:2015:2801
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Procesbelang en proceskostenvergoeding bij bijstandsaanvraag en bezwaarprocedure
Betrokkene vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en maakte bezwaar tegen de voorwaarden en de hoogte van de toegekende proceskostenvergoeding. Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk, omdat betrokkene geen belang meer zou hebben. De rechtbank oordeelde echter dat betrokkene wel procesbelang had en kende een hogere vergoeding toe voor de kosten van rechtsbijstand.
Het college ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en stelde dat betrokkene geen procesbelang had omdat de gemachtigde op basis van 'no cure no pay' werkte en de vergoeding aan de gemachtigde zou toekomen. De Centrale Raad van Beroep verwierp dit standpunt en bevestigde dat het forfaitaire systeem van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de aard van de rechtsbijstand het procesbelang van betrokkene niet uitsluiten.
Daarnaast stelde het college subsidiair dat de rechtbank ten onrechte de zwaarte van de zaak als gemiddeld had aangemerkt, maar ook dit werd verworpen. Wel oordeelde de Raad dat de rechtbank ten onrechte slechts één punt had toegekend voor het bijwonen van twee zittingen, waardoor een aanvullende vergoeding van € 245,- werd toegekend.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde de uitspraak voor zover de vergoeding voor de tweede zitting was nagelaten, bevestigde de rest van de uitspraak, veroordeelde het college in de proceskosten van betrokkene en legde een griffierecht op.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het procesbelang van betrokkene en wijst een aanvullende proceskostenvergoeding toe voor het bijwonen van een tweede zitting.