ECLI:NL:CRVB:2015:2850
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen terugwerkende kracht bij toekenning IOAW-uitkering zonder bijzondere omstandigheden
Appellant, geboren in 1955, ontving tot 25 augustus 2012 een WW-uitkering. Na beëindiging van deze uitkering werd hij geïnformeerd dat hij mogelijk recht had op een bijstandsuitkering, die hij zelf moest aanvragen. Appellant meldde zich op 3 december 2012 bij het UWV voor een WWB-uitkering, welke ambtshalve werd aangemerkt als een aanvraag voor een IOAW-uitkering met ingang van die datum.
Het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen wees het bezwaar van appellant tegen de ingangsdatum van de uitkering af omdat er geen bijzondere omstandigheden waren die een terugwerkende kracht rechtvaardigden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank ten onrechte geen bijzondere omstandigheden had erkend. De Raad overwoog dat op grond van artikel 16a IOAW de uitkering in principe niet met terugwerkende kracht wordt toegekend vóór de datum van melding of aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
Appellant stelde dat hij door het beëindigingsbesluit van 18 september 2012 in de veronderstelling verkeerde dat hij een WWB-uitkering moest aanvragen en daarom had gewacht met aanvragen tot hij zijn vermogen had aangesproken. De Raad oordeelde dat dit geen bijzondere omstandigheid is, aangezien appellant niet door onjuiste informatie van het college werd belemmerd in het tijdig aanvragen.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de ingangsdatum van de IOAW-uitkering blijft 3 december 2012 zonder terugwerkende kracht.