ECLI:NL:CRVB:2015:286
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging opheffing functie en herplaatsingsstatus bij UMCG na stopzetting financiering
Appellante was sinds 1991 werkzaam bij de Rijksuniversiteit Groningen en later het UMCG, met een vaste aanstelling die oorspronkelijk een clausule bevatte over financieringsafhankelijkheid, maar die clausule ontbrak in het latere aanstellingsbesluit van 2006.
Het UMCG moest vanwege bezuinigingen en het wegvallen van externe financiering door het Astmafonds en een onderzoeksproject de formatieplaatsen verminderen. Dit leidde tot het besluit om de functie van appellante vanaf 1 juli 2012 gedeeltelijk en vanaf 1 december 2014 volledig op te heffen. Appellante werd aangemeld als herplaatsingskandidaat met voorrang.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het salaris van appellante feitelijk uit externe financiering kwam en het UMCG redelijkerwijs mocht aannemen dat de functie zou vervallen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat het UMCG voldoende grondslag had voor de opheffing van de functie, ook al ontbrak de clausule in het aanstellingsbesluit van 2006.
Het betoog van appellante dat haar onderwijsactiviteiten een opheffing in de weg zouden staan, wordt verworpen omdat deze taken slechts een gering onderdeel van de functie vormen. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de situaties niet vergelijkbaar zijn.
De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de uitspraak van de rechtbank zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de opheffing van de functie en de herplaatsingsstatus van appellante.