ECLI:NL:CRVB:2015:2893
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in AWBZ-procedures
Verzoekster heeft een procedure gevoerd tegen de Staat en het CIZ vanwege overschrijding van de redelijke termijn in haar AWBZ-zaken. De Raad heeft vastgesteld dat de totale duur van de procedure bijna negen jaar bedroeg, waarbij de redelijke termijn met bijna vijf jaar is overschreden.
De Raad heeft de behandelduur in de bezwaarfase en de rechterlijke fase afzonderlijk beoordeeld en geconcludeerd dat beide fases aanzienlijk langer duurden dan redelijk is. De bezwaarfase duurde ruim een jaar en twee maanden, wat een overschrijding van ruim acht maanden betekent. De rechterlijke fase duurde zeven jaar en acht maanden, wat een overschrijding van ruim vier jaar inhoudt.
Op grond van jurisprudentie is een immateriële schadevergoeding passend van €500 per half jaar overschrijding. De totale schadevergoeding is vastgesteld op €5.000, waarvan €4.250 door de Staat en €750 door het CIZ moet worden betaald. Voor de andere procedures (12/604 AWBZ en 12/605 AWBZ) is geen extra vergoeding toegekend omdat de overschrijding daarin binnen de reeds vastgestelde overschrijding valt.
De Raad heeft geen proceskosten toegekend aan verzoekster omdat er geen proceshandelingen waren die daarvoor in aanmerking kwamen. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 26 augustus 2015.
Uitkomst: De Staat en het CIZ worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van respectievelijk €4.250 en €750 wegens overschrijding van de redelijke termijn.