ECLI:NL:CRVB:2015:3009
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling recht op WW-uitkering na gedeeltelijke werkhervatting en weigering beroep op vertrouwensbeginsel
Appellant was sinds 1977 in dienst bij een werkgever, maar zijn functie verviel per 1 juli 2012 door een reorganisatie. Hij sloot een vaststellingsovereenkomst waarbij het dienstverband eindigde per 1 december 2012. Vanaf 4 november 2012 werkte appellant 20 uur per week bij een andere werkgever. Hij vroeg op 4 november 2012 een WW-uitkering aan, die het UWV toekende op basis van 40 uur per week, maar met een korting van 20 uur wegens de nieuwe werkzaamheden.
Appellant maakte bezwaar tegen deze korting, stellende dat hij vertrouwen had gekregen van het UWV dat de 20 gewerkte uren geen invloed zouden hebben op zijn uitkering. De rechtbank vernietigde het besluit maar handhaafde de rechtsgevolgen, waarbij zij oordeelde dat de datum van 1 december 2012 bepalend was en geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan.
In hoger beroep stelde appellant dat alle gewerkte uren mee moesten tellen en dat het UWV uitdrukkelijke toezeggingen had gedaan. Het UWV erkende dat de datum 1 december 2012 correct was en stelde het gemiddeld aantal arbeidsuren (GAA) vast op 43, waardoor appellant 23 uur verlies leed en recht had op een nabetaling.
De Raad oordeelde dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen waren gedaan in de telefonische contacten met het UWV. De Raad stelde het recht op WW-uitkering vast met een GAA van 43 uur en vernietigde het eerdere vonnis voor zover de rechtsgevolgen in stand waren gelaten. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Appellant heeft recht op een WW-uitkering met een gemiddeld aantal arbeidsuren van 43 per week, met korting voor 23 gewerkte uren, en het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt afgewezen.