ECLI:NL:CRVB:2015:3109
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor kosten rechtsbijstand na aanvraagdatum
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB vanaf oktober 2008. Na intrekking van het recht op bijstand door het college wegens schending van de inlichtingenplicht, vroeg appellant bijzondere bijstand aan voor kosten rechtsbijstand uit 2011. Deze aanvraag werd aanvankelijk afgewezen, maar later deels toegekend na vernietiging van het intrekkingsbesluit door de rechtbank.
Vervolgens vroeg appellant opnieuw bijzondere bijstand aan voor kosten rechtsbijstand uit 2010, 2011 en 2012, maar het college wees dit af wegens het niet tijdig indienen van de aanvraag. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep beperkte appellant zich tot de kosten uit 2011 die nog niet waren toegekend.
De Raad oordeelde dat volgens vaste rechtspraak geen recht op bijzondere bijstand bestaat voor kosten die zijn gemaakt vóór de datum van de aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Appellant stelde dat hij redelijkerwijs niet eerder kon aanvragen vanwege de eerdere afwijzing, maar dit werd verworpen omdat hij rekening moest houden met de lopende rechtsmiddelen tegen de intrekking en dat een aanvraag geen kosten met zich meebracht.
De Raad bevestigde dat appellant tijdig had moeten aanvragen en dat geen bijzondere omstandigheden waren die van de hoofdregel konden afwijken. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor kosten rechtsbijstand die zijn gemaakt vóór de datum van de aanvraag wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.