Uitspraak
12 juni 2014, 14/1412 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, van Afghaanse nationaliteit, woonde sinds 1998 in Nederland en ontving sinds 2004 bijstand. Na het verlies van zijn geldige verblijfstitel per 13 januari 2011, beëindigde het college de bijstand aan hem vanaf 1 januari 2012. In 2013 vroeg appellant opnieuw bijstand aan, maar het college wees dit af wegens het ontbreken van een geldige verblijfstitel.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat het college de aanvraag had moeten aanhouden totdat duidelijkheid over zijn verblijfstitel bestond en dat de weigering in strijd was met de artikelen 3 en 8 EVRM.
De Raad oordeelde dat appellant geen vreemdeling was zoals bedoeld in artikel 11 lid 2 en Pro 3 WWB en daardoor onder artikel 16 lid 2 WWB Pro viel, waardoor bijstand geweigerd kon worden, ook bij dringende redenen. Het beroep op EVRM artikelen 3 en 8 faalde op grond van vaste rechtspraak. Appellant had onvoldoende onderbouwd dat het college onzorgvuldig had gehandeld of de belangenafweging had geschonden.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard, de aangevallen uitspraak bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van bijstand wegens het ontbreken van een geldige verblijfstitel.