ECLI:NL:CRVB:2015:3141
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing IVA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als apothekersassistente, viel per 26 augustus 2010 uit wegens psychische klachten. Het UWV stelde aanvankelijk vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dus geen recht had op een WIA-uitkering. Na bezwaar werd dit herzien naar een loongerelateerde WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid tussen 35 en 80%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de rapportage van de verzekeringsarts zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellante adequaat waren vastgesteld. Appellante stelde in hoger beroep dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en dus aanspraak maakte op een IVA-uitkering, onderbouwd met verklaringen van haar psycholoog en informatie over haar niet-zelfredzaamheid.
De Raad concludeert dat de gronden van appellante grotendeels herhalingen zijn van eerdere bezwaren die reeds zijn afgewezen. Er is geen nieuwe medische informatie die aanleiding geeft tot een ander oordeel. De Raad volgt het standpunt dat appellante niet voldoet aan de criteria voor volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, zoals opname in een ziekenhuis of AWBZ-instelling, bedlegerigheid of ernstige afhankelijkheid in het dagelijks leven.
Daarom wordt het hoger beroep verworpen, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; appellante krijgt geen IVA-uitkering toegekend.