ECLI:NL:CRVB:2015:3190
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens niet woonachtig op opgegeven adres
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de WWB en gaf daarbij een adres op waar hij zou inwonen bij zijn moeder. Tijdens een huisbezoek werden slechts een bed en een tv aangetroffen, zonder andere persoonlijke bezittingen, wat niet strookte met de verklaring van appellant dat hij daar al jaren woonde. Het Drechtstedenbestuur wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van hoofdverblijf op het opgegeven adres. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de vraag naar het woonadres moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellant had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in de beoordelingsperiode op het opgegeven adres woonde. Getuigenverklaringen boden geen concrete feiten ter ondersteuning en verklaarden niet de afwezigheid van persoonlijke bezittingen. Ook een latere toekenning van bijstand op basis van een huisbezoek na de beoordelingsperiode was niet doorslaggevend.
Gezien deze feiten concludeerde de Raad dat het Drechtstedenbestuur terecht de aanvraag had afgewezen en bevestigde de aangevallen uitspraak. Verzoeken tot schadevergoeding en proceskosten werden afgewezen.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd wegens onvoldoende aannemelijkheid van het woonadres.