Uitspraak
7 augustus 2013, 13/3089 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg een verhuiskostenvergoeding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), welke werd toegekend. Daarnaast verzocht appellant om bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) voor de kosten van de eerste maand huur en administratiekosten van zijn nieuwe woning. Het college wees deze aanvraag af omdat appellant al een beroep kon doen op de Wmo-verhuiskostenvergoeding.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de toegekende vergoeding niet toereikend was, mede vanwege een achterstand in betaling van de huur van zijn oude woning. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze stelling niet tot een ander oordeel leidt, mede omdat appellant voor die kosten geen bijzondere bijstand had aangevraagd.
De Raad benadrukte dat artikel 15 van Pro de WWB bepaalt dat geen recht op bijstand bestaat indien een passende en toereikende voorliggende voorziening beschikbaar is. Gezien het doel en de hoogte van de Wmo-verhuiskostenvergoeding, inclusief een bedrag voor huur en administratiekosten, is deze vergoeding als zodanig aan te merken. Daarom is het hoger beroep ongegrond en wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Wmo-verhuiskostenvergoeding een passende en toereikende voorliggende voorziening is, waardoor geen recht bestaat op aanvullende bijzondere bijstand.