ECLI:NL:CRVB:2015:323
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering ondanks betwisting beperkingen en psychische klachten
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WIA-uitkering per 23 juli 2011 te beëindigen, stellende dat zijn beperkingen, met name het gebruik van hand en vingers, en psychische klachten onvoldoende waren meegenomen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht, waarbij medische rapporten en verscheidene FML-updates waren betrokken.
In hoger beroep heeft appellant opnieuw betoogd dat zijn beperkingen zijn onderschat en verzocht om een deskundige. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en stelt vast dat het UWV de beperkingen juist heeft aangescherpt op basis van medische informatie, vooral ten aanzien van hand- en vingergebruik. Er is geen reden om een deskundige te raadplegen.
Ten aanzien van de psychische klachten erkent de Raad dat deze in het najaar van 2011 toenamen, maar deze waren nog niet dusdanig ernstig dat ze gevolgen moesten hebben voor de FML en de arbeidsongeschiktheidsschatting. De Raad wijst erop dat appellant vanaf 1 april 2012 een IVA-uitkering heeft gekregen vanwege toegenomen psychische beperkingen.
Gelet op deze overwegingen bevestigt de Raad de bestreden uitspraak en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering en wijst het verzoek om een deskundige af.