ECLI:NL:CRVB:2015:3352

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 oktober 2015
Publicatiedatum
2 oktober 2015
Zaaknummer
14/935 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellant, die wegens lichamelijke en psychische klachten arbeidsongeschikt werd, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde na onderzoek vast dat appellant niet arbeidsongeschikt was in de zin van de wet en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen van appellant niet werden onderschat.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn lichamelijke en psychische klachten, waaronder epilepsie, jicht, nierproblemen en depressieve klachten, en dat een urenbeperking zou moeten worden aangenomen. Hij overhandigde nieuwe medische stukken ter onderbouwing.

De Raad oordeelde dat de medische gegevens geen aanleiding geven het eerdere standpunt te wijzigen. De verzekeringsarts had de nieuwe medische informatie beoordeeld en geconcludeerd dat de diagnoses voldoende waren meegewogen en dat de belastbaarheid niet was overschat. Ook de arbeidsdeskundige had vastgesteld dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek.

Uitspraak

14/935 WIA
Datum uitspraak: 2 oktober 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
7 januari 2014, 13/4399 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.P.V.W. Willems hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en rapporten van 25 april 2014 en 6 juli 2015.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Willems. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is wegens lichamelijke klachten op 20 april 2011 uitgevallen voor zijn werk als schoonmaker. Daarnaast heeft appellant in de loop van 2012 psychische klachten gekregen. Op 11 januari 2013 heeft hij een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.
1.2.
Een verzekeringsarts van het Uwv heeft appellant op 18 februari 2013 onderzocht en de beperkingen vastgelegd in de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 19 februari 2013. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige geoordeeld dat appellant onder meer wegens de klachten van vermoeidheid ongeschikt is voor het eigen werk, maar geschikt is voor passende functies op grond waarvan het verlies aan verdiencapaciteit is vastgesteld op 15,65%.
1.3.
Bij besluit van 11 maart 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 17 april 2013 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA ontstaat, omdat appellant niet als arbeidsongeschikt in de zin van die wet wordt beschouwd.
1.4.
Bij beslissing op bezwaar van 13 augustus 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 maart 2013, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 juli 2013 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 12 augustus 2013, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank geoordeeld dat door de verzekeringsartsen zorgvuldig onderzoek is verricht en dat er geen aanleiding is te concluderen dat deze de beperkingen van appellant hebben onderschat. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de verzekeringsartsen hun oordeelsvorming mede hebben gebaseerd op uitgebreide informatie van de behandelend artsen van appellant. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep genoegzaam gemotiveerd waarom er in het geval van appellant geen aanleiding bestaat om een urenbeperking aan te nemen. Wat betreft de geduide functies heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken dat de belasting daarin de belastbaarheid van appellant overschrijdt.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep zijn in bezwaar en beroep aangevoerde standpunt herhaald dat bij het vaststellen van zijn beperkingen onvoldoende rekening is gehouden met zijn lichamelijke klachten als gevolg van onder meer epilepsie, jicht en een verminderde functie van de nieren. Voorts kampt hij al geruime tijd met depressieve klachten die ook samenhangen met zijn lichamelijke klachten. Ten slotte is appellant van mening dat een urenbeperking moet worden aangenomen. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft appellant enkele medische stukken ingezonden.
3.2.
In reactie op het hoger beroep van appellant heeft het Uwv de bij het procesverloop vermelde rapporten ingezonden en het standpunt gehandhaafd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant juist is vastgesteld.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat de medische grondslag van het
bestreden besluit berust op een zorgvuldig onderzoek. Uit de in het dossier aanwezige medische gegevens en de in hoger beroep ingezonden medische informatie kan niet worden opgemaakt dat de verzekeringsartsen van het Uwv de belastbaarheid van appellant hebben overschat.
4.2.
Naar aanleiding van de in hoger beroep door appellant ingebrachte medische gegevens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 25 april 2014 de conclusie getrokken dat deze medische informatie geen aanleiding geeft het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Daarbij heeft zij opgemerkt dat met de diagnoses met betrekking tot de lichamelijke en psychische klachten in voldoende mate rekening is gehouden. De epilepsie is, evenals de jicht en de nierstenen, redelijk onder controle. Ten aanzien van de verminderde functie van de nieren heeft zij vastgesteld dat deze afwijking een zorgvuldige controle vereist, maar niet zodanig ernstig is dat op grond hiervan een urenbeperking zou moeten worden aangenomen. Naar aanleiding van de in hoger beroep nog nader ingezonden medische stukken heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 6 juli 2015 de nieuwe gegevens samengevat en vervolgens geconcludeerd dat ook deze informatie geen nieuwe gezichtspunten oplevert en dat met alle daarin genoemde diagnoses in voldoende mate rekening is gehouden. De Raad onderschrijft deze conclusie.
4.3.
Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting kan worden volstaan met te verwijzen naar de overweging in de aangevallen uitspraak waarin de rechtbank oordeelt dat de functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.
4.4.
Uit het overwogene bij 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en E. Dijt en P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2015.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) J.R. Ravenstein

MK