ECLI:NL:CRVB:2015:3371
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) vanaf 1989. Naar aanleiding van een politie-informatie over samenwoning is een onderzoek ingesteld, waarbij onder meer huisbezoek, dossieronderzoek en getuigenverhoren plaatsvonden. Het college trok bijstand in over de periode 19 oktober 2009 tot en met 18 oktober 2011 en vorderde de ten onrechte ontvangen bijstand terug.
De rechtbank oordeelde dat de intrekking en terugvordering slechts over de periode van 19 april 2010 tot 18 oktober 2011 terecht was, omdat vanaf die datum sprake was van gezamenlijk hoofdverblijf en wederzijdse zorg. Het college nam een nieuw besluit tot verlaging van het terug te vorderen bedrag.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende bewijs bestond voor gezamenlijk hoofdverblijf en wederzijdse zorg, en dat culturele aspecten onvoldoende waren meegewogen. De Raad toetste de verklaringen van appellante, L en getuigen, en concludeerde dat er voldoende objectieve grondslag was voor het standpunt van het college. De Raad verwierp het betoog over culturele aspecten en de waarde van getuigenverklaringen die niet strookten met het sociaal recherche-rapport.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en verklaarde het beroep tegen het nadere besluit ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd.