ECLI:NL:CRVB:2015:3386
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J.P.M. Zeijen
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Weigering herziening besluit Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante heeft sinds 2003 meerdere keren een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering vanwege psychische klachten die sinds haar jeugd bestaan. Het UWV heeft deze aanvragen steeds afgewezen, omdat zij niet arbeidsongeschikt was op de peildatum van haar achttiende verjaardag in 1979 en er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die herziening rechtvaardigden.
Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek in 2008 werd geconcludeerd dat appellante beperkingen had, maar nog in staat was passende functies te vervullen. Op basis hiervan werd het bezwaar ongegrond verklaard en dit besluit kwam in rechte vast te staan.
In 2013 verzocht appellante opnieuw om herziening met het argument dat haar psychische situatie aanzienlijk was verslechterd. Het UWV weigerde dit verzoek omdat dit geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die de eerdere beoordeling ter discussie stelden. De rechtbank bevestigde dit standpunt en ook de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verslechtering geen aanleiding gaf tot herziening van het besluit van 2008.
De Raad benadrukte dat het verzoek niet kon worden gezien als een beroep op de Amberbepalingen, omdat appellante hiervan afzag. Het UWV had de bevoegdheid het verzoek af te wijzen en heeft dit op zorgvuldige wijze gedaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van herziening van de Wajong-uitkering wordt bevestigd.