ECLI:NL:CRVB:2015:3429
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet voldoen aan wekeneis tijdens detentie
Appellant was sinds 1 januari 2009 in dienst bij een werkgever en zat van 4 juni tot en met 19 november 2013 in voorlopige hechtenis. Tijdens deze periode stopte de werkgever met salarisbetaling en werd appellant op 20 november 2013 ontslagen. Appellant vroeg een WW-uitkering aan, maar het UWV weigerde deze omdat hij niet voldeed aan de wekeneis volgens artikel 17 van Pro de WW.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat artikel 17a WW restrictief moet worden uitgelegd, waarbij voorverlenging van de referteperiode niet mogelijk is tenzij aan strikte voorwaarden wordt voldaan. Appellant stelde dat hij onbetaald verlof had gekregen tijdens detentie en dat hij zijn werkzaamheden had kunnen verrichten vanuit de penitentiaire inrichting, maar dit werd niet aannemelijk gemaakt.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt, maar de Raad concludeerde dat de brief van appellant onvoldoende bewijs leverde voor onbetaald verlof en dat de werkgever nooit instemde met onbetaald verlof. De detentie kon daarom niet worden aangemerkt als onbetaald verlof in de zin van artikel 17a WW. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens niet voldoen aan de wekeneis en onvoldoende bewijs voor onbetaald verlof tijdens detentie.