ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0307
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering na detentie wegens onvoldoende gewerkte weken
Verzoeker was sinds 1 augustus 2000 werkzaam bij een werkgever en werd van 5 december 2005 tot en met 17 maart 2006 gedetineerd. De arbeidsovereenkomst werd per 1 maart 2006 ontbonden, waarbij verzoeker vanaf 1 december 2005 was vrijgesteld van werkzaamheden. Verzoeker vroeg op 21 maart 2006 een WW-uitkering aan, maar het Uwv weigerde deze per 18 maart 2006 omdat hij in de 39 weken voorafgaand aan werkloosheid niet in ten minste 26 weken had gewerkt, slechts 24 weken.
Verzoeker maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het uitblijven van een beslissing. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en gaf het Uwv drie weken om een beslissing op bezwaar te nemen. Het Uwv handhaafde de weigering op 26 september 2006. Verzoeker stelde hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat geen belang meer bestond bij beoordeling van het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Tevens handhaafde hij het besluit van 26 september 2006. De Raad overwoog dat artikel 17a van de WW restrictief moet worden uitgelegd en dat detentie feitelijk verhindert arbeid te verrichten, waardoor niet uitsluitend onbetaald verlof de oorzaak was van het niet werken. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de weigering van de WW-uitkering wordt gehandhaafd.