ECLI:NL:CRVB:2015:3460
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging forfaitaire vervoerskostenvergoeding en toekenning Collectief Vraagafhankelijk Vervoer
Appellante ontving sinds november 1997 een forfaitaire vervoerskostenvergoeding vanwege beperkingen bij het gebruik van openbaar vervoer. Het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade besloot deze vergoeding per 1 januari 2013 te beëindigen en in plaats daarvan deelname aan het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV) toe te kennen, met een overgangstermijn van drie maanden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college het medisch advies van de MO-zaak zorgvuldig heeft ingewonnen en dat dit advies concludent en juist is. De door appellante aangevoerde oudere medische rapporten waren niet relevant voor de periode waarop het besluit betrekking heeft. Ook werd geoordeeld dat het beëindigen van de vergoeding niet in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, mede omdat appellante tijdig op de hoogte was gesteld van het heronderzoek en de mogelijkheid van beëindiging.
Verder stelde de Raad vast dat het toekennen van CVV kan worden gezien als een passende compensatie in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Wmo. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De uitspraak van de rechtbank Limburg werd daarmee bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van de forfaitaire vervoerskostenvergoeding wordt bevestigd.