ECLI:NL:CRVB:2015:350
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens criminele inkomsten en schending inlichtingenplicht
Appellant ontving bijstand over meerdere perioden, maar werd veroordeeld tot 21 maanden gevangenisstraf voor cocaïnehandel in de periode juli 2009 tot juli 2010. Naar aanleiding hiervan onderzocht de sociale recherche de rechtmatigheid van de bijstand. Het college van burgemeester en wethouders van Hilversum besloot de bijstand over de periode van de handel in cocaïne in te trekken en de kosten terug te vorderen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de intrekkingsperiode te ruim was en gebaseerd op een schatting, terwijl een precieze periode van belang is voor de schending van de inlichtingenplicht. Ook stelde hij dat het wederrechtelijk verkregen voordeel lager was dan het college stelde. De Raad oordeelde echter dat de verklaring van een getuige tegenover de politie voldoende feitelijke grondslag bood voor de periode van intrekking en dat appellant geen concrete gegevens had aangeleverd om dit te betwisten.
De Raad bevestigde dat de bestuursrechter niet gebonden is aan de strafrechterlijke vaststelling van het wederrechtelijk voordeel en wees het hoger beroep af. Verzoeken tot schadevergoeding en proceskosten werden eveneens afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand en wijst het hoger beroep af.