ECLI:NL:CRVB:2012:BW5335
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R.H.M. Roelofs
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting handel verdovende middelen
Appellante kreeg bijstand over de periode van 1 november 2005 tot en met 31 oktober 2006, maar het dagelijks bestuur trok deze bijstand in en vorderde de kosten van bijstand terug wegens het niet melden van handel in verdovende middelen en de daaruit verkregen inkomsten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en ook in hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat appellante haar wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. De handel in verdovende middelen is een feit dat invloed heeft op het recht op bijstand en het is aan het bestuursorgaan om te beoordelen in hoeverre inkomsten uit deze handel van belang zijn.
Appellante voerde aan dat het wederrechtelijk genoten voordeel volgens de strafrechter slechts €455 bedroeg en dat dit zo laag was dat melding niet nodig zou zijn geweest. De Raad oordeelde echter dat de bestuursrechter niet gebonden is aan het strafrechterlijk oordeel, mede omdat in de bestuursrechtelijke procedure een andere rechtsvraag speelt en het voordeel slechts geschat is.
Omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij recht had op bijstand indien zij wel had voldaan aan haar inlichtingenverplichting, is het dagelijks bestuur bevoegd de bijstand geheel in te trekken en de kosten terug te vorderen. De Raad zag geen reden om het besluit van het dagelijks bestuur te vernietigen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd.